Wanneer je je richt op datgene waarnaar de vraag vraagt (het gevraagde), dan vraag je naar het waarom van al het zijnde: Waarom is iets en niet niets?
Waar vraag je naar als je een waarom-vraag stelt?
Vergelijk de twee waarom-vragen hieronder:
Vragen
-
Waarom valt een steen naar de aarde toe en niet van de aarde af?
-
Waarom heb je de steen gegooid en hem niet laten liggen?
Waarin verschillen beide waarom-vragen?
In het eerste geval kan het niet anders dan dat het zo gebeurt, het is noodzakelijk zo. Je vraagt dan naar een oorzaak. In het tweede geval was ook het alternatief mogelijk geweest. Je vraag dan naar een reden (voor een overtreding van een (on)geschreven regel), die verantwoord kan en moet worden.
Je kunt dan noodzakelijke en voldoende gronden onderscheiden:
Noodzakelijke grond: ‘het had niet anders kunnen zijn zoals het is…’;
Voldoende grond: ‘het is liever zoals het is, dan dat het niet zo was…’
De vraag rijst natuurlijk: welke grond speelt in de vraag Waarom is iets en niet niets? – een noodzakelijke of een voldoende?
Oefenen: De gronden bij Descartes en Leibniz Moeilijkheid: 3 van 3 sterren
Lees onderstaande fragmenten uit Descartes’ Vertoog over de methode en Leibniz’ 24 stellingen en en vergelijk beide filosofen met elkaar. Schrijf je bevindingen uit en besteed daarbij aandacht aan de volgende aspecten:
Geef op basis van de fragmenten aan welke grond als uitgangspunt wordt genomen voor het ontstaan en bestaan van alles – een noodzakelijk of een voldoende?;
Op welke wijze er wordt geschreven en waarom daarvoor (op basis van het tekstfragment) is gekozen;
Wie of wat God is in deze fragmenten en wat hij doet;
En woorden die je niet kent of begrijpt, zoek je op!
De grond bij Descartes - uit: Vertoog over de methode Descartes, Vertoog over de methode. Vijfde gedeelte – vert. Helena Pels.
De grond bij Leibniz - uit: De 24 stellingen Leibniz, De 24 stellingen (vert, Th.C.W. Oudemans).