Voordat je deze vraag echt kunt stellen – laat staan dat je eraan kunt beantwoorden – zul je hem eerst wat nader moeten ontdekken. We stuiten dan op een aantal vragen die eerst zullen moeten worden afgehandeld – zogenaamde prealabele vragen. De behandeling van deze prealabele vragen zal moeten gebeuren in de diverse onderafdelingen van deze denkweg.
Het eerste wat je kan opvallen aan de vraag Wat is echte wetenschap? is dat in de vraag een onderscheid is voorondersteld, een demarcatie. Als je vraagt naar echte wetenschap, dan is er blijkbaar ook onechte, of pseudowetenschap. En blijkbaar is deze demarcatie tussen echt en pseudo relevant, een verschil dat verschil maakt – vanwaar anders deze vraag stellen? Hier ligt de eerste prealabele vraag:
1. Vanwaar onderscheiden tussen echte en pseudowetenschap?
Een eerste antwoord laat zich al bedenken: blijkbaar is er pseudowetenschap die zich als echte wetenschap voordoet. En blijkbaar is dat een probleem – anders zou de vraag niet zijn opgekomen. Maar voor wie is dit nu een probleem? Wie noemt wie nu pseudo? De pseudowetenschapper wordt natuurlijk zo genoemd door de echte wetenschapper (die zich daarmee tegelijkertijd als echt presenteert). Een wetenschapper die zichzelf serieus uitgeeft als pseudowetenschapper is immers niet serieus te nemen. En blijkbaar heeft de zelfbenoemde echte wetenschapper een criterium voor het onderscheiden tussen echt en nep. En daarmee dient zich de volgende prealabele vraag aan:
2. Welk criterium hanteert de echte wetenschapper om echt van pseudo te onderscheiden?
En met deze vraag komen vragen als: is dat criterium tijdloos, universeel geldig, of gelden er verschillende criteria, voor verschillende domeinen van de werkelijkheid? En gelden dan verschillende criteria door de tijden heen, of gelden (ook) verschillende criteria tegelijk?
Maar voordat we ons überhaupt met het vraagstuk van criteria en de mogelijke relevantie ervan kunnen inlaten, moeten we eerst kennis nemen van de mogelijke wijzen van weten en kennen en ons afvragen:
Wat claim je wel niet allemaal als je beweert dat je iets weet? En is alles wat jij weet meteen ook wetenschappelijke kennis? Of heeft wetenschap zo z'n beperkingen?
Tenslotte moeten we blijven bedenken dat we hier zijn om te leren filosoferen en zal een laatste vraag niet kunnen blijven liggen:
4. Wat heeft een would be-filosoof vandaag de dag überhaupt van doen met de vraag naar echte wetenschap (en al de genoemde prealabele vragen)?
Deze laatste vraag vormt het uitgangspunt voor de excurs van deze afdeling, Het geval Galileï, waarin we onderzoeken wat een filosoof vandaag de dag nog van doen kan hebben met een wetenschapper van toen.
Oriënterende vragen bij de uitgangsvraag
Selecteer een aantal (zo verschillend mogelijke) vakken dat je volgt (of gevolgd hebt) en...
... overweeg welke ervan echte kennis opleveren volgens jou en maak een rangschikking;
... licht aan de hand van rangschikking toe wat je onder ‘echt’ verstaat;
... bekijk bij ieder van je geselecteerde vakken op welk van de volgende kennisbronnen de opgedane kennis voornamelijk berust: logisch redeneren, autoriteit, waarneembaar bewijs, intuïtie.
Bedenk aan de hand van je gekozen vakken...
... welke ervan het meest wetenschappelijk zijn en waarom je dat denkt;
... het verschil tussen slechte wetenschap (bad science) en pseudowetenschap;
... het verschil tussen niet-wetenschap (non science) en pseudowetenschap;
... of alle niet-wetenschappelijk kennis per se pseudowetenschap is;
... of ‘pseudowetenschap’ per se een waardebeladen term is.
Is de Leitfrage van deze afdeling eerder een normatieve of descriptieve vraag?
Primaire tekst: Wijs op welke wijze? Moeilijkheid: 2 van 3 sterren
Wat is echte wetenschap volgens Aristoteles? Beantwoord deze vraag met het onderstaande fragment uit zijn beroemde Metafysica. Aristoteles, Metafysica, A.1 981b – 982a. Neem in je antwoord de vier prealabele vragen als richtsnoer.
In de Ethica hebben we al gezegd wat het verschil is tussen techniek [technès], kennis [epistèmès] en dergelijke. In deze redelijke uiteenzetting [logon] gaat het er nu alleen om dat alle mensen ervan uitgaan dat wat ‘wijsheid’ [sophian] genoemd wordt verband houdt met de eerste oorzaken [ta proota aitia] en de beginselen [tas archas]. Daaruit volgt, als gezegd, dat we mensen met ervaring [empeiros] voor wijzer [sophooteros] houden dan mensen die alleen over een bepaalde vorm van waarneming [aisthèsin] beschikken, en technici weer voor wijzer dan mensen met ervaring, de bedenkers van de plannen [architektoon] wijzer dan de uitvoerders [cheirotechnou] ervan, en de beschouwelijke vormen van kennis [theoorètikai] weer voor wijzer dan de productieve [poiètikoon]. Dat wijsheid [sophia] kennis [epistèmè] is die zich met bepaalde oorzaken [aitias] en beginselen [archas] bezighoudt, is nu duidelijk [dèlon].
Bedenken: Het dilemma van de would-be filosofie Moeilijkheid: 2 van 3 sterren
Millennia lang vroeg een handjevol filosofen naar de kosmos als geheel, sinds 1637 hebben de moderne wetenschappers zich met hun onderzoeksmethodes heer en meester gemaakt van alle domeinen van de werkelijkheid en studeren er jaarlijks duizenden filosofen af aan de universiteiten.
Wat is hier gaande?
In de Vorrede van zijn Kritik der reinen Vernunft formuleert Kant het dilemma waar iedere would-be filosoof vandaag de dag mee te maken heeft. Geparafraseerd:
Of je zegt iets over de werkelijkheid wat toetsbaar is door zintuiglijke ervaring, maar dan leg je het als filosoof al snel af tegen de moderne wetenschapper en zijn veel succesvollere empirische methodes.
Of je zegt iets over de werkelijkheid wat voorbij gaat aan de grenzen van de zintuiglijke ervaring, maar dan kan er geen toetsing plaatsvinden en zijn je uitspraken metafysisch, speculatief, gratuit.
Dé vraag
Hoe filosofisch te spreken zonder te vervallen in ontoetsbare speculaties of quasiwetenschappelijke verklaringen? Is er een uitweg voor de filosofie? Of is het zoeken van uitwegen echt iets voor de wetenschappen?