Begin van filosofie

Alfred North Whitehead schreef: ‘The safest general characterization of the European philosophical tradition is that it consists of a series of footnotes to Plato. I do not mean the systematic scheme of thought which scholars have doubtfully extracted from his writings. I allude to the wealth of general ideas scattered through them.’

Ligt het dan niet voor de hand de filosofie te zoeken in haar ontstaansgrond? De eerste de beste, nietwaar! Terug dus naar de Griekse oorsprong, naar Boek VII van Plato’s Politeia, naar de beroemde grotgelijkenis. Deze tekst markeert het begin van filosofie, 2400 jaar geleden – en nu? Tolle, lege!

Oefening: De grotgelijkenis Moeilijkheid: 2 van 3 sterren

In het volgende fragment verhaalt Sokrates [‘ik’] van het gesprek dat hij met Glaukon [‘hij’] voerde. Lees het aandachtig en beantwoord de vragen.

Na deze dingen nu, zei ik, vergelijk onze natuur [phusin] met een dergelijke ervaring omtrent opvoeding [paideias] en onopgevoedheid [apaideusias]. Stel je voor: mensen houden zich op in een onderaardse, grotachtige verblijfplaats. De diepe toegangsweg, lopende langs de gehele lengte van de grot is geopend naar het licht [phoos]. En daarin zitten de mensen van jongs af in boeien geslagen, en dat wil zeggen met hun benen en nekken, zodat zij op hun plaats blijven en alleen naar voren kunnen kijken en niet in staat zijn hun hoofden om te draaien. Achter hen brandt van boven en van verre een vuur en tussen het vuur en de geboeiden is op een hoger niveau een weg. En stel je voor dat daarlangs een muurtje is gebouwd zoals de poppenspelers voor de mensen oprichten om hun kunsten te tonen.

Vragen bij het tekstfragment

  1. Hoe is de situatie in de grot?

    1. ‘Stel je voor!’ Maak een tekening of een schematische weergave van de situatie in de grot, zoals deze door Sokrates wordt beschreven. Zorg ervoor dat de relevante elementen op de juiste plaats terechtkomen.

    2. Bekijk de beroemde gravure Antrum Platonicum uit 1604 van Jan Saenredam. Vergelijk de gravure nauwkeurig met Sokrates’ opmerkingen aangaande de situatie in de grot. In hoeverre komt de gravure niet overeen met de tekst van Plato? Noem tenminste drie zaken in de afbeelding die niet kloppen met de tekst.

    3. In de koptekst boven de gravure staat in het Latijn de Bijbelpassage Johannes 3:19. Vertaal de passage (of zoek een vertaling) en beoordeel in hoeverre deze titel de lading dekt van Plato’s tekst.

  2. Welke vier stadia doorloopt de gevangene? Hoe speelt het maatgevende, alètheia, in ieder stadium?

  3. Hoe spreekt Sokrates in de grotgelijkenis? Hij noemt het zelf een eikoon, een beeld of gelijkenis.

    1. In een gelijkenis staat iets voor iets anders. Waar staan de relevante elementen van vraag 1a in werkelijkheid voor?

    2. Het werkwoord eikoo betekent naast naast ‘lijken op’ ook ‘uitwijken’. Waarom zegt een filosoof niet direct waar het op staat? Zoek in de tekst passages die aanwijzingen geven voor deze uitwijkmanoeuvres.

  4. Filosoferen begint in de passage die begint met: ‘Kijk, zei ik, hoe gevangenen worden bevrijd en genezen worden…’

    1. Welke woorden vallen daar in de tekst om het gebeuren te beschrijven? Noteer ze. Wat valt je op?

    2. Hoe komt het filosoferen op gang? Welke aanwijzingen geeft de tekst? Open terzijde

  5. Leg aan de hand van de tekst uit waarom het begin van filosoferen niet kan worden begrepen als een gang van schaduwen naar licht c.q. van gevangenschap naar vrijheid.

  6. De zon neemt in de grotgelijkenis een eigenaardige plaats in.

    1. Leg deze plaats uit aan de hand van de volgende uitspraak: ‘Dankzij het licht zie ik de zon.’

    2. Ook speelt ten aanzien van de zon de tijd op eigenaardige wijze: bedenk hoe de zon het laatste is, maar ook altijd al het eerste.

  7. Bekijk of en in hoeverre de drie irritatievragen in de grotgelijkenis beantwoord worden:

    1. ‘Hoe een weg te vinden zonder te weten waar te zoeken?’

    2. ‘Waarom überhaupt op weg gaan?!’

    3. ‘Hoe, wanneer een weg gevonden is, te weten op weg te blijven en niet van het pad te raken?’

  8. Plato’s grotgelijkenis geeft een beeld van de wijze waarop filosofie begint – toen... en nu? Stel je zelf de vraag: (Wat) gaat het mij aan, zo’n atopos verhaal van duizenden jaren oud? Schrijf een voorlopig antwoord op, dateer, en keer er later op terug.

Oefenen: Dankzij het licht zie ik de zon Moeilijkheid: 2 van 3 sterren

De crux van de grotgelijkenis kan bondig worden verwoordt als: Dankzij het licht zie ik de zon. In dit aforisme ligt een aanwijzing hoe je je als filosoof altijd nog kunt wenden: naar het licht van de zon, dankzij welk ik (haar) kan zien. Laten we dit merkwaardige licht proberen wat nader te brengen.

Aan het einde van Boek VI van de Politeia, dat direct voorafgaat aan de grotgelijkenis, komt de zon al uitgebreid ter sprake. Aan het woord zijn weer Sokrates [“ik”] en Glaukon [“hij”]. Lees het fragment en beantwoord de vragen:

Goed, dan wil ik jullie [Sokrates richt zich tot Glaukon en Adeimantos] eerst iets in herinnering [anamnèsas] brengen. Iets dat we in dit gesprek en ook eerder al vaak hebben besproken en erkend, namelijk dat we een veelvoud van mooie dingen [polla kala] onderscheiden en een veelvoud van goede dingen [polla agatha], enzovoorts, maar ook het bestaan aannemen van schoonheid [auto kalon] en goedheid [auto agathon]. Op die manier brengen we al die dingen waarvan we zojuist zeiden dat ze in veelvoud voorkwamen telkens onder één aspect [kat’ idean mian], ervan uitgaande dat zij een eenheid vormen, en noemen we [prosargoreuomen] het datgene ‘wat het is’ [ho estin].

Vragen bij de tekst

  1. Wat kan het te betekenen hebben dat ‘het vele gezien wordt, maar niet gedacht’ en dat de ideeën daarentegen ‘gedacht worden, maar niet gezien’? Open terzijde Laat dit zien aan de hand van een zelf verzonnen voorbeeld.

  2. Beschrijf de kenmerken van het juk tussen zien en geziene c.q. kennen en gekende die in dit tekstfragment genoemd worden.

  3. Leg de volgende zin uit in eigen woorden: ‘Dus de zon is niet het gezichtsvermogen, maar dat gezichtsvermogen waardoor wij haar kunnen zien is wel aan haar te danken [aitios].’ Bedenk daarbij …

    1. … dat je het juk tussen zien en geziene nooit objectief kunt zien Open terzijde ;

    2. … waarom het juk van zien en gezien vooraf gaat aan het zien en het geziene, zonder dat dat ‘vooraf’ chronologisch begrepen kan worden.

  4. Zijn de zon en de idee van het goede hetzelfde? Licht je antwoord toe aan de hand van passages uit het fragment. Je kunt ook de grotgelijkenis erbij betrekken.

  5. De idea tou agathou is als aitia maatgevend voor het kennen en de waarheid.

    1. Waarom is het nodig dat de idea tou agathou zich ‘aan gene zijde’ [epekeina] van de zijnden bevindt?

    2. Waarom wordt Plato ook wel de vader van de metafysica genoemd?

  6. In de afsluitende passage roept Sokrates op de terreinen van het zichtbare en kenbare uit elkaar te houden.

    1. Wat heeft het voor de would-be filosoof te betekenen dat Sokrates hiertoe moet oproepen?

    2. Heidegger spreekt in dezen van de ontologische differentie en schrijft daarover: ‘Erst im Vollzug dieses Unterscheidens, griechisch κρίνειν, nicht eines Seiendem von einem anderen Seienden, sondern des Seins vom Seienden, kommen wir in das Feld der Philosophische Problematik.’ Welke verdere aanwijzingen voor de would-be filosoof zijn in dit citaat te vinden over het hoe en waar van de filosofie?

    3. Bekijk de School van Athene. Worden in Rafaels schilderij de terreinen van het zichtbare en kenbare uit elkaar gehouden?